Toen had het haar blij gemaakt, eerst, — en tegelijk was dat het begin geweest van alles. Van al het andere.
Ze stond hier niet als de vrouw van hun dokter. Ze stond hier als de vrouw, die Leo ontglipt was, en wier lippen Geert gekust zouden hebben, als niet... als niet...
Toch knikte ze. Ja, ze was de vrouw van hun dokter.
„Wat ben ik dan blij, dat ik u ontmoet!”
Ze nam Car de natte tas uit de hand en hielp haar, zonder veel woorden, uit de doorweekte mantel. Daar stond Car, de bloedende hand aan de lippen, de daagse jurk met een sijpelende onderrand, de haren verwaaid en warrig.
„Gauw mee naar binnen.”
Met een kreet van verrassing kwam Car de kamer in:
„Stookt u al? Wat heerlijk.”
„Een paar blokken heb ik aangestoken. Gelukkig nu maar, dat ik het gedaan heb, nu u zo nat bent.” Car nestelde zich in een laag stoeltje voor de brandende houtblokken. Het meisje bracht een verband-trommeltje binnen, en zonder een woord begon Steuve s vrouw haar hand te verbinden. Een onzegbare behaaglijkheid doorstroomde Car. Ze begreep opeens waarom Ientje altijd zo straalde, als ze een zeer lapje had. Je zou je expres je hand wonden, om je door een grijze vrouw als deze te laten verbinden.
165