„Hebt u nieuw werk voor me meegebracht?” vroeg ze plotseling.
Hij haalde het behoedzaam te voorschijn.
„Wat wou ik graag,” bedelde ze, „dat u er weer iets uit speelde, — zoals toen.”
Hij lachte verheugd, dadelijk bereid.
Terwijl hij bladerde in zijn eigen muziekvellen, liep Car naar de deur.
„Joop?”
En toen hij te voorschijn kwiam:
„Kom nog even hier.”
Hij trok een grimas, bedoeld aan het adres van het rare meneertje. Maar zij nam hem bij de arm en liet hem naast zich zitten. Evenburg merkte er niets van en begon dadelijk.
Terwijl Car hoorde, zag ze ook. Zag ze het bezielde gezichtje naast zich. Zag ze zijn ogen, leeg en onbewoond, omdat al wat er leven aan gaf naar binnen gericht was. Zo had ze nooit op zijn gezicht kunnen letten, als ze zelf speelde. Ze zag het voor ’t eerst, met vernieuwde ogen en vernieuwd begrip:
Niet voor haar was dit kind. Als een gedoemde had de Muziek hem aangewezen: „Jij. Jou moet ik hebben.” Dan was er geen verzet. Dan had hij te volgen.
Maar later. Vooral véél later. 2"olang hij kind was, bleef hij van haar.
Hoe lang was hij nog kind?
„En ik wou ontbeerlijk zijn,” dacht ze schamper.
160