burg, „dan zou ik zo’n jongen willen hébben. Tien jaar... aardig, aardig.”
De blijde stemming van Car, omdat nu gebeurd was, wat ze al lang had gehoopt: dat een ander, een nuchterder dan zij, Joop zou horen, — sloeg ineens néér. Wat ze met hem doen zou, — later! Hem weg laten trekken, de wereld in, natuurlijk. Hem weggeven, aan het beroep, waar hij van zou gaan houden, wat dan ook, en al haar vier kinderen weggeven. Maar daar hoefde ze nu toch nog niet aan te denken?
Als Evenburg hier in de stad woonde, zou hij hem willen hébben. Dan zou ze blij en dankbaar zijn, dat haar kind deze kunstenaar tot leider kreeg. Maar wat zou ze hem missen! Nu pas wist ze, wat haar lessen aan Joop voor haar hadden betekend. Voor haar, — en het was begonnen om Joop zelf. Om Joop los te maken van zijn moeder. Wat oneerlijk was dat. Ze had hem meer naar zich toe gehaald dan ooit.
„Zou ik hem nog wel een poosje mogen houden? vroeg ze klein.
„Maar natuurlijk, mevrouw!” zei Evenburg verschrikt. „Ik heb alle respect...”
Car glimlachte. Ze moest er verder nu niet over praten. Als Joop groter was, en ze het niet meer aan kon, zou ze Evenburg vragen, hem een meester aan te wijzen. Ze had haar zin nu: het waren niet haar moeder-oren geweest, die dat ongewone in zijn spel hadden gehoord. Een ander had geoordeeld. Wat wilde ze meer?
159