„Hoe oud bent u, jongeheer?”
Joop lachte om dat „jongeheer”, maar zei toch prompt: „Tien jaar.”
„Dat is aardig. Dat is aardig,” zei Evenburg hoofdschuddend.
Joop keek vragend op naar Car, wat dat rare meneertje hier deed, en of hij nu wel gaan kon. „Ga maar,” knikte Car, en Joop ging graag. „Vond u...” begon Car aarzelend, de gretige moeder in zich onderdrukkend, „speelde hij... behoorlijk?”
„Dat hoort u toch zelf wel?” zei Evenburg verbaasd.
„Ja, — maar ik wist niet, of een ander het hoorde.” „Is het een leerling van u?”
„Dat ook. Maar hij is ook mijn jongen, ziet u.” Het klonk als een verontschuldiging. Ze kon het niet helpen, dat het haar jongen was.
„Aardig, aardig,” glunderde hij weer. En dan: „Wat doet u met hem?”
„Wat ik met hem doe? Welke stof?”
Ze greep naar de muziekboeken.
„Nee, — wat u met hem doet, — later.”
„O, dat! Dat weet ik nog niet.”
Ze dacht aan het tengere kereltje, dat net de deur uit was gegaan. Wat ze met hem deed! Boterhammen laten eten, en voor de deur laten spelen, en, helaas, ook sommetjes laten maken. En veel, veel laten genieten van z’n piano.
„Als ik hier in de stad woonde,” mijmerde Even-
158