Car, helemaal moeder nu, zag niet het lachwekkende in de figuur, die daar midden in de kamer geplant stond. Haar gespannen ogen bleven strak gericht op het oude-mannen-gezicht, lazen gretig al wat er op te lezen stond. Hij zag er niets van.
Het stuk was uit. Joop wou getroost een blad omslaan en verder gaan, maar Car hield hem bij zijn magere polsje tegen.
„Er is bezoek,” zei ze. „Ga jij zo lang in de zijkamer?”
Hij gleed gelaten van zijn krukje af.
Maar Evenburg, alle verlegenheid vergetend, vroeg: „Mag hij nog verder spelen?”
Car knikte, haar gretigheid verbergend achter het nonchalant gebaar, waarmee ze het blad omsloeg. Joop, met de heerlijke onbewustheid van zijn tien jaren, klom weer omhoog, speelde met innig welbehagen en wist van geen bezoek.
Nu keek Car Evenburg aan, met een vraag in de ogen. Maar hij zag haar helemaal niet. Hij stond daar maar en deinde zijn hoofd zachtjes.
„Nou zal ik maar weg gaan,” zei Joop, met een voor hem ongewone beslistheid, toen hij het stuk beëindigd had.
„Dat is aardig. Dat is aardig,” mompelde Evenburg, en Joop dacht, dat die ouwe meneer zijn gewillige aftocht zo aardig vond. Hij liet zijn muziekboeken waar ze waren, in een overgrote ijver om te verdwijnen.
Maar Evenburg kwam vóór hem staan.
157