in zijn spel begon te groeien. Geen van haar leerlingen had het. Zij zelf had het niet gehad, toen ze een klein meisje was, en ze twijfelde wel eens, of ze het nu wel had, dat, het onzegbare, wat haar in Joop’s spel zo diep raakte.
Maar ze was de moeder. Ze wilde niet tot die moeders behoren, die iets zien of geloven in hun eigen kind, wat er niet in is. Misschien dat toch de verhouding van moeder tot eigen kind haar parten speelde. Als ze met gespitste oren in de kamer zat, de handen bezig, maar de gedachten bij Joop, kon ze zich plotseling vermannen en zichzelf zeggen, dat het niets was, — dat hij speelde als ieder ander kind. Maar het lukte haar niet altijd...
Nu was het Woensdagmiddag. Een zee van tijd lag vóór Joop. Hij had al op straat gespeeld in de zon, zonder de minste behoefte aan kameraden. Zijn wangen en oren waren rood, en zijn ogen tintelden. Zó, de buitenlucht en de vrijheid nog werkend in hem, borg hij zich op achter de piano.
Car glimlachte: nóóit, onder géén voorwaarde, zou hij aan zijn geliefde stukjes beginnen, vóór hij de oefeningen en toonladders tot het bittere eind had doorgewerkt. Hoe zou Leo dit wel gevonden hebben: een zoon met zo’n overmaat van geweten! Een ontaarde zoon.
Maar dan kwamen de stukjes, en Car’s handen, bezig met stopnaald en stopgaren, gingen trager en trager. Omdat ze luisteren moest. Omdat ze niet de lerares was in de eerste plaats, maar de moeder.
155