„Och, loop rond,” lachte Car, „die zijn d’r alleen in de sprookjes.”
„Als ik zo’n vader had...” bleef Siem bij z’n uitgangspunt, „dan heb ik net zo lief géén vader, zoals wij.”
Joop keek van terzijde naar Car. Zo jong als hij was, voelde hij aan, dat je zo iets niet zei, — dat het akelig was voor moeder.
Maar Car’s gezicht stond onbewogen. Atie echter vatte vlam.
„Dat mag je niet zeggen,” knikte ze wijs. „Als je geen vader meer hebt, is altijd heel treurig, hè moeder?”
Car lachte.
„Vind je ’t hier dan zó treurig?”
Joop, z’n vork ergens in de lucht, droomde voor zich heen.
„Gek... wij hebben nooit gemerkt, dat het treurig is om geen vader meer te hebben... Hè moeder? Het is hier in huis nooit treurig er door geweest...”
„Dat is waar,” zei Siem beslist, ,,’t Was hier nooit anders dan bij andere kinderen. Misschien nog gezelliger. Hoe zou dat komen?”
Een blos van geluk vloog over Car’s gezicht.
„Dat was de bedoeling,” liet ze zich ontvallen, de kinderen vergetend.
Siem, grote jongen al, wendde opeens zijn hele gezicht naar Car. Hij zag haar blos, zag haar blijde ogen, en had haar woorden opgevangen.
„O,” knikte hij voor zich heen. En nog eens: „O.”
153