De weg alleen

Titel
De weg alleen

Jaar
1949

Pagina's
195



„Zó lief, — ik denk dat er geen liever kind bestaat.”

„En ik?” vroeg Atie.

„O kind,” — Car knielde bij Atie’s bed neer, legde haar gezicht in de dekens, — „als je wist, hoe lief je bent!”

„Waarom?” vroeg Atie, om maar méér te horen, méér te hebben van de koestering.

„Omdat je me geroepen hebt,” zei Car gesmoord.

Ze stond op.

„Ik doe het licht uit,” waarschuwde ze. „Ik kom gauw weer bij jullie.”

„Gaat u naar die meneer terug?”

Het licht knipte uit. Car huiverde in ’t donker. „Ja.”

„Ja,” dacht ze, buiten de kamer, „ik moet terug.”

Ze liep langzaam de trap af, deed zacht de deur van de huiskamer open.

Hij stond met de handen op de rug voor Leo’s portret. Toen ze binnenkwam keerde hij zich om. Ze bleef tegen de deur geleund staan.

„Tja,” zei hij.

„Mijn kind slaapt nu weer,” zei ze langzaam. „Ze hoestte.”

„Tja,” zei hij weer. En toen, met een hoofdbeweging in de richting van Leo’s portret:

„Wat een schoft, hè? In de kamer, waar zijn eigen portret hangt.”


147

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.