„Ja?” vroeg Atie verheugd.
Car ging naar Ientje’s bedje. Het kind zat rechtop en trappelde van het benauwde hoesten. Car nam haar op schoot, een deken om het koortsige lijfje heen.
,,Kindje... kindje.
„Ik moet zo hoesten,” huilde Ientje. „En alle dingen waren daarnet zo gróót!”
Alle dingen waren groot geweest, — angstig groot en dreigend, — en in hetzelfde huis was haar moeder...
Met grote, droge ogen keek ze over Ientje’s hoofd heen de slaapkamer in. Ze zag niets. Alleen bleef haar blik vasthaken aan de strakke lijnen van het deurpaneel. Door z’n onbeweeglijkheid begonnen de lijnen tot haar door te dringen. Ze had ze eerder gezien. Ze had er tegen aan gekeken, als ze wakker lag bij daglicht. Ze had er dagen lang tegen aan gekeken, vier keren, — na de geboorten van haar vier kinderen.
Toen werd de kamer haar van een bekendheid, die haar wakker riep uit haar verstarring.
Ientje, tevreden tegen haar aan, dommelde wat. Het hoesten was bedaard.
Ze zette haar zachtjes op haar eigen bed neer, waste het gezichtje, de handjes en polsjes, gaf haar wat van het hoestdrankje, en legde haar in het kinderbedje terug.
„Ben ik lief?” vroeg Ientje, half in de slaap.
Car’s handen welfden om de gloeiende wangetjes.
146