Ze herinnerde zich opeens, dat hij Leo gekend en van hem gehouden had.
„Bijna,” zei ze.
„Het lag niet aan mij, dat het maar bijna was.”
Ze keek hem vol aan, met lichte, eerlijke ogen.
„Aan mij ook niet.”
Zijn handen omgrepen een stoelleuning. Zijn grauwe kop leek dieper gebogen dan anders. Toch bleef hij haar aankijken.
Toen zei ze, half smekend:
„We moeten elkaar niet meer zien, — tot het over is.”
Hij glimlachte bitter. Hij wist, hoe gauw het bij hemzelf over was. Hoe het niet eens over hoefde te zijn, om al plaats in te kunnen ruimen voor wat anders.
Maar bij haar moest het over zijn, — dat, wat hij bewust in haar had wakker geroepen. Dit kind, — hij moest haar met rust laten.
Een grote tederheid verzachte de trekken van zijn sterk gezicht.
„Ja,” zei hij. „We zullen elkaar niet meer zien.”
Ze ging weg van de deur en liet hem door. Tot in de gang liep ze mee.
„Ik stuur Evenburg wel,” zei hij kort. „Dag Car.”
Ze hoorde de voordeur achter hem dichtslaan.
Een ogenblik wankelde ze tegen de witte gangmuur. Ze sloeg de handen voor ’t gezicht.
„Leo, Leo,” klaagde ze.
148