kussen, dan zou ze terug kussen, al de kussen, die in zo lange, lange jaren ongekust waren gebleven. Ze kon niet meer. Wat wilde Leo ook van haar, — haar alleen laten, voor alles alleen, — haar laten vechten tegen waar niet meer tegen te vechten was... Ze kon niet meer...
De deur ging open.
Slaperig, op blote voeten, stond Atie tegen de deurpost geleund.
„Moeder,” klaagde haar schorrig stemmetje, „Ientje hoest zo.”
En, ondanks de slaap: „O, dag meneer.”
Eén kort ogenblik ontmoette zijn blik de hare. Toen wendde ze zich af, naar Atie.
„Ik... je moet even wachten ...ik moet naar mijn kind,” zei ze over haar schouder. Haar stem miste elke klank.
Hij gaf geen antwoord.
Ze liep met Atie mee. Het was haar, of Atie haar de weg moest wijzen naar de slaapkamer. Ze kwam van vèr, — ze ging naar vèr. Daartussen lag een eindeloze weg.
„Ik wist niet, wat ik doen moest,” zei Atie. „Daarom heb ik u geroepen.”
„Dat was goed.”
Ze bukte, vlak voor de deur van de slaapkamer, tot Atie over en kuste het slaperige gezichtje met ongewone heftigheid.
„Dat was goed,” zei ze weer, en ze dacht: „Kind, nooit zul je weten, hoe goed dat was.”
De weg alleen 10
145