Ze wou zeggen „omdat je grootvader bent,” maar ze voelde dit hier en nu als iets grievends. Ze wou hem niet grieven. Ze haatte hem niet. Hij kon het allemaal niet helpen. Ze was alleen maar bang voor hem.
„Ik dacht er toen niet aan, dat dit de konsekwentie was... Ik wil wel je zeggen.”
„En Geert?”
„En Geert,” zei ze onderworpen.
„Zo is het goed.”
„Heb... heb je ’t werk voor me meegebracht?” hield ze aan.
„Nee,” glimlachte hij, „ik kwam het alleen maar... bespreken. Evenburg komt zelf binnenkort in de stad. Dan komt hij bij je.”
„O, prettig,” zei ze mat. „Nog thee?"
Hij knikte. Ze stond op en ging naar de theetafel.
„Ik ben zo blij,” praatte ze onderdehand, „dat het weer van Evenburg is. Om zijn muziek, en omdat ik zijn handschrift ken.”
Ze zag opeens, dat hij was opgestaan. Hij luisterde niet naar wat ze zei. Dat zag ze. Hij keek alleen maar naar haar pratende lippen.
Zo had Leo niet geluisterd naar wat ze zei, en alleen naar haar lippen gekeken, als... als hij haar ging kussen. Zo...
Hij ging haar kussen. Ze zag, verstard, dat hij haar zou gaan kussen.
O, maar ze kon ook niet meer! Als hij haar ging
144