haar na, en zag hoe haar hand trilde. Hij bleef glimlachen.
„Is dit de kamer, waar je altijd werkt?”
Ze knikte.
„De spreekkamer, daar ontvang ik visite in en zo. Maar als ik te werken heb, dan doe ik het hier. De spreekkamer is meestal ongestookt, en daardoor ben ik ’s winters zó hier gewend, dat ik ’s zomers ook hier werk.”
Ze praatte maar, in ’t wilde weg. Veel en haastig. Ze wist, terwijl ze praatte, dat niets van haar diepere wezen naar hem uitging. Maar al het andere, — o, al het andere ging wèl naar hem uit.
Hij brak haar verhandeling over het werken in deze kamer af door plotseling zijn hand op de hare te leggen.
„Heb je hier naar verlangd?” vroeg hij warm.
„Ik heb naar werk verlangd, heel erg,” zei ze ruw.
Hij schudde het hoofd.
„Waarom ben je zo oneerlijk tegen me?”
„Ik zeg alles wat ik weet, — en ik wil ook niet meer weten.”
Hij trok zijn hand terug, en ze wenste, dat hij er weer lag, groot bovenop de hare. Ze wenste — o, als ze maar wist wat er was met haar, waarom ze grof wilde zijn en afwerend, en tegelijk zijn handdruk wilde voelen.
„Hebt... hebt u ’t werk voor me meegebracht?”
„Waarom zeg je u? Je hebt immers met Car ondertekend?”
143