hij haar aanraakte, al was het maar met zijn stem alleen.
„Houd ik van hem?” vroeg ze zich af.
„De donkere drang in mijn jonge bloed.”
Waar had ze die woorden gehoord? Waar vandaan kwamen ze?
Ze wist het niet.
* #
*
Zijn gezicht was niet ouder geworden, en zijn haar niet grijzer, al was hij grootvader. Alleen leek alles anders, nu ze hem in haar eigen huiskamer ontmoette; beter, veiliger.
„Is je kindje erg ziek?” vroeg hij dadelijk. Ze was er hem zo dankbaar voor.
„Dokter is geweest vanmiddag. Hij gelooft, dat het bronchitis is. Ze hoest een beetje. Maar die hoge temperatuur, hè?”
„Die moeders,” glimlachte hij toegeeflijk. „Die zijn dadelijk ongerust.”
„O nee, ik ben helemaal niet gauw ongerust. Nu ook niet.”
„Waarom belde je me dan af?”
Ze trok even haar hoofd terug.
„Ik kon toch niet wèg gaan,” zei ze verontwaardigd, „met een kind, dat hoge koorts heeft!”
„Nee,” lachte hij, „dat begrijp ik ook best.”
Ze keek hem verward aan. Spotte hij er mee? Of begreep hij het werkelijk?
Bij het theekastje schonk ze zijn thee in. Hij keek
142