niet eens verschil meer, of ze zijn eigen stem hoorde of niet.
„Met Car. Ik kan vanavond niet komen.”
„Dat is niet waar. Het moet kunnen. Ik heb op je gerekend.”
„Ik kan niet. Mijn jongste kindje is ziek.”
Het was even stil.
„O, is het dat. Wat jammer.”
„Ja. Dan maar een andere dag.”
„Of zal ik vanavond bij je thuis komen? Dan hoef je niet van huis.”
Ze dacht snel na. Hij hier? Maakte dat verschil? Was ze dan niet toch ver weg van Ientje? Maar het huis was vol kinderen, en het kantoor was verlaten. Dit was beter. Dit was een weg.
„Goed. Dan maar hier komen.”
— ben ik welkom?”
„O jawel.”
Ze zei het mat. Ze wilde, dat hij niet welkom was, maar ze wist van wèl.
„Tot vanavond dan.”
„Ja.”
Dat was de tweede keer, dat ze vandaag met hem getelefoneerd had. Na zó lange tijd. De tweede keer, dat hij „tot vanavond” had gezegd. Vanavond, dan was het de derde keer. Dan zou ze zijn gezicht terug zien, en zijn handen. Ientje was ziek, — maar zij ging hèm terug zien, de man, die haar ziel in rust liet, zolang ze hem niet ontmoette, maar die haar alle houvast, alle zekerheid... die haar Leo ontnam, zodra
141