„Tot vanavond,” zei ze.
„Dag Car.”
»Dag.”
Langzaam ging ze weg van de telefoon. Ze wou de kamer uitgaan, maar een loomheid dwong haar, te gaan zitten, de kin in de handen. Met zware oogleden, de ogen versluierd, keek ze half-dromend voor zich uit.
Het hielp nu niet meer, tegen zichzelf te zeggen, dat hij grootvader was. Het was te laat voor zulke leugens. Het was al te laat geweest op het ogenblik, dat ze zijn stem weer had gehoord. Gisteren kon dat nog, — en daarom had ze met „Car” alleen ondertekend. Toen, gisteren, toen ze de envelop dichtmaakte, — toen had Leo haar losgelaten.
Ze kon ook niet meer. Wat wou Leo toch van haar, — dat ze eenzaam en klein en zwak vocht tegen de hele wereld? Het was niet eerlijk: hij dood, ver weg van al wat haar verscheurde, en zij alleen, alléén. Ze kon niet meer.
Het was te laat om zichzelf wijs te maken, dat ze zakelijk tegenover Geert Steuve zou staan vanavond, — dat ze haar werk in ontvangst zou nemen en naar huis gaan. Het was te laat voor elke oneerlijkheid.
Ze stond op. Nu werken. Niet verder denken. Zich laten voeren, waarheen de dag haar voeren zou... en de avond.
Zó liet de zigeunerin zich voeren, waarheen de dag haar voeren zou. Ze lachte even, stak haar onderlip vooruit.
138