„Ben jij het, Car? Met Geert Steuve. Ik was heel blij met je briefje.”
Geert Steuve. Ja, dat had ze zelf gewild. Haar woorden stokten een ogenblik in haar keel.
„Ja?” vroeg ze alleen.
„Zullen we even afspreken, wanneer je komt? Ik heb nieuw werk voor je, — weer van Evenburg.” „Ik begon net bang te worden, dat u... dat er nooit meer werk voor me zou komen.”
„Er was niets. Dacht je, dat ik je vergat?”
„Nee,” zei ze haastig. „Nee, dat niet.”
„Luister, Car. Vandaag overdag ben ik erg bezet. Maar vanavond heb ik nog te werken op mijn kantoor. Kun je dan even komen?”
Vanavond. Dan was hij er alleen. Dat kon niet. Dat kon ze niet bevechten.
Haar lippen bewogen zich, maar er kwam geen geluid.
„Hallo? Car?”
„Ja, ik ben er nog.”
„Poe je ’t? Kom je vanavond?”
„Ik... ik weet niet.”
„Wèl weten! Doen!”
Ze kon niet meer. O, ze kon niet meer.
„Ja,” zei ze, nauwelijks hoorbaar.
„Goed zo! Ik verheug me er op.”
Ze moest zeggen: „ik ook”, maar ze kon het niet. Ze wist ook niet, hoe ze hem noemen moest. Ze wist eigenlijk niets, dan dat ze uitgegleden was, s— of ging uitglijden. Dat niemand haar vasthield.
137