geweest, in één tiental met Springer, de ex-wereldkampioen. Zij ruzieden altijd over wat moeilijker was, schaken of dammen. Vader hield het op dammen. Daar moest je abstract bij denken omdat elke steen, ofschoon in beginsel van dezelfde waarde, in kwaliteit toenam of verminderde naar gelang van zijn plaats op het bord. Al gauw werd de strijd gestaakt en vertelde de kleine, roodharige klant van de Stadhouderskade, terwijl hij vader en mij om beurten glunder door zijn dikke brilleglazen aankeek, dat hij in Zwitserland in cafés om geld had geschaakt. Dan gaf hij een pion voor, en toch won hij het altijd, zelfs van de Zwitserse kampioen. Een andere Duitse grootmeester, die ook een pion voorgaf, verloor steeds van de kampioen. 'Ik snap niet hoejij zo van hem kan winnen,' had hij verzucht, en Spielherr had hem geantwoord: 'Jij praat ook niet met hem als je zit te spelen.'
Vader lachte, uit beleefdheid. De klant had het al vaker verteld. Niet van plan reeds te vertrekken, vroeg Spielherr belangstellend: 'Sie sprechen Englisch, Sie sprechen Deutsch, hoe komt het dat u schoenmaker bent geworden?'
Vader haalde zijn schouders op, zuchtte even, schoof zijn bril, waarvan het linkeroor met een touwtje was gerepareerd, op zijn brede, hoge voorhoofd, en antwoordde: 'Wat moet ik daarvan zeggen?' Hij staarde voor zich uit, zei toen alleen: 'Pech.'
'Wieso?' drong de schaakmeester aan.
'Ik was de beste op de lagere school, maar een ander ook, en die won het zilveren horloge, ik kreeg een papiertje.'
'Dat is doch auch ein beweis?' vroeg Spielherr.
'Zoiets zei de bovenmeester ook. Hij zorgde ervoor dat
29