Ie argumenten bij elkaar om ze te weerhouden van hun plannen, zei dat het tegen hun belang indruiste, dat ze hun geduld moesten bewaren omdat het anders nog moeilijker voor ze werd.
Vijftien jaar is de oorlog voorbij. Als toen de ziekenstem-pels niet waren ingetrokken, die vervloekte avond, had ik moeder misschien bij Rinus kunnen onderbrengen, maar ach, daar zijn later alle onderduikers gepakt. Hoe zou het zijn afgelopen als vader zijn stans aan de schoenmakerij van de Joodse Raad in bruikleen had gegeven en daar was gaan werken? Maar hij kon toch later ook vluchten, uit het werkkamp, en heeft het niet gedaan om ons niet in gevaar te brengen: 'Jullie hebben nog een heel leven voor de boeg.' Maurits was het ergste, hij was nog jong, en ze kregen hem in hun poten na Stalingrad, toen er weer nieuwe hoop ontstond.
Nu klinkt gekrijs op de vrouwenafdeling, een verdieping hoger. Een gevangene is hysterisch geworden. Zij slaat met iets hards op de verwarmingsbuizen, onophoudelijk, door haar schreeuwen heen. Weer haast zich de bewaarder over de ring. Hij praat met de ziekenmeester, je kan de woorden verstaan. Samen lopen zij de ijzeren trap op naar boven. Er wordt gevochten, een tafel valt om, of een stoel.
Dan is het stil, en het blijft zo tot de kerkklok slaat op de Amstelveenseweg en de bewaarder mijn cel opent om me in vrijheid te stellen. Buiten, in de vroege ochtend, staan Bep, de kinderen, Mr. Ritier, Wout Hermans die het voor ons heeft opgenomen. Ook Max is er. Hij heeft zich ingezet voor de protesten buiten de cel, interesseert zich echter nauwelijks voor Bep en de kinderen. En toch waren zij het dapperst van allemaal, houdt Mien Sneevliet mij voor als ik de deur binnenstap thuis, waar zij voor de ontvangst heeft gezorgd.
Er is geen welkom, er zijn geen bloemen van Miranda,
191