Miranda haast zich naar de open achterdeur.
'Martli,' noemt ze Martin, en hij antwoordt snel: 'Je moet iets kopen voor de kinderen van Sal.'
De rechercheurs staan een gesprek niet toe. Miranda staat nu zwijgend op een afstand, kijkt Martin aan met grote ogen.
'Zie je hoe haar ogen schitteren?' zegt Martin zacht tegen mij, maar ik kijk verlegen de andere kant uit om hen niet te storen.
En weer spreken wij met woorden die niemand kan verstaan, in klanken die zich oplossen in het geraas van de trein nog voordat zij de twee rechercheurs tegenover ons kunnen bereiken. Ik voel mij één met Martin, het maakt me gelukkig zo naast hem te zitten, hoe rot de omstandigheden ook zijn, maar ik zal hem beschermen zoveel ik kan, en dat héb ik ook gedaan, daar mag hij niet aan twijfelen. 'Elke keer als ik je zie krijg ik nieuwe moed,' fluister ik, en Martin antwoordt: 'Ik ook.'
'Je kunt mij geloven, Martin' - en ik druk mijn hand tegen hem aan - 'ik heb niets geweten van het contact van Uten met Nooteboom. Ik geef je er mijn woord op.'
Voort jaagt de trein door het golvende landschap. Een van de rechercheurs leest een krant, de ander schilt een peer. De reis duurt lang en zij sluiten hun ogen, soezelen wat voor zich uit. Martin en ik, aan elkaar geboeid, kunnen toch niet weglopen.
'Hoeveel zouden ze ons geven denk je?' fluistert Martin.
Hoe zou ik het weten. Ik zal het niet te erg maken: 'Twee jaar, drie misschien.'
'Voor mij drie, minstens,' antwoordt Martin. 'Jou zullen ze spoedig vrijlaten.'
In geen geval eerder vrij, dat wil ik niet: Martin achter de tralies en ik erbuiten, terwijl ik minstens zo schuldig ben, dat nooit. En ik antwoord: 'Mais non, Martin.'
'Je hebt het gezien. Ze spelen alle schuld naar mij toe. En
178