ven. Zou ze Martin ook hebben gezien? 'Daar staat hij, verderop,' zegt ze haastig en wijst op een politieauto twintig meter verder. Bij de geopende achterdeur zit Wim Noo-teboom. Wat een vuile streek om Martin bij hem te zetten.
Zenuwachtig gebaart de rechercheur dat Miranda weg moet gaan. Nee, ze mag me geen sigaretten geven. Hij heeft er wel een voor me, maar ik weiger en kan nu helemaal niet meer roken.
Ook journalisten proberen naderbij te komen. Er wordt naar me geroepen. Door wie? De rechercheur sluit het raampje. Zelfs de officier van justitie paradeert hier, samen met commissaris Boerslag. Ze lopen naar mij toe.
Het verhoor van Uitenboogaard gaat zo beginnen. Martin en ik móéten daarbij aanwezig zijn, met ons protest hebben ze niets te maken. Wij mogen naast elkaar zitten, maar absoluut niet met elkaar praten, daar zal streng op worden gelet. Aantekeningen? Ja, dat mag. Neem het schrift maar mee, die balpen ook.
Er is bijna geen ruimte meer in de houten keet, die van buiten op een woonwagen lijkt. Achter een tafel zitten de rechter-commissaris, haar griffier, de officier van justitie, en enkele vreemde gezagsdragers. Een rechercheur leidt mij langs Boerslag en enige gewapende agenten. Dan moet ik gaan zitten, links van Martin. Mijn rechterpols wordt aan zijn linker geboeid. Hoe moet ik zo stenograferen? Ik wil alles stenografisch opnemen, om geen woord te missen. Aantekeningen? Dit zijn ook aantekeningen.
'Hoe gaat het, Martin?' fluister ik, nauwelijks mijn lippen bewegend. Als hij maar niet kwaad is om de verklaring die ik voor commissaris Boerslag heb afgelegd.
Een vluchtige beweging met zijn geboeide hand, dan: 'Jij moet hetzelfde doen als ik, zelfs als je niet begrijpt waarom.' Martin staat op, trekt mijn rechterarm mee omhoog en verklaart dat hij hier onder protest naartoe is gebracht, dat hij hier thans niet aanwezig is.
73