commissaris Boerslag en pakt het dossier. 'En ik zal er proces-verbaal van opmaken deze keer!' De meeste papieren heeft hij al eerder laten zien, mijn antwoord kent hij ook.
'Daarover kan ik niets zeggen. Ik ben niet bereid namen te noemen.'
'De moffen zouden heel wat minder geduld met jullie hebben gehad.' Zijn stem klinkt geïrriteerd.
'Die tijd is gelukkig voorbij.'
'Dat is waar,' antwoordt de commissaris tot mijn verrassing, en dan: 'Ik heb ook nog drie weken in Scheveningen gezeten, dat was lang genoeg.' Even sluit hij zijn ogen. 'Ik ben er nog kort geleden geweest,' vervolgt hij dan. In de gevangenis heb ik een jodenjongen opgezocht die met mij in de klas heeft gezeten op de hbs. Die heeft zijn eigen moeder verraden.'
Wat heeft dat te maken met onze hulp aan de Algerijnen? Wil hij net zo lang boren tot hij op een zenuw zit? Want wie als jood de oorlog heeft overleefd zal zich wel schuldig voelen tegenover degenen die niet meer leven. Het kan me allemaal niets meer schelen, en ik snauw hem toe: 'Ik wou dat ik de Schalkhaarder had neergeschoten die mijn moeder kwam halen.'
Is het waar wat ik zeg? Of zijn het grote woorden? Soms denk ik wel eens dat ik liever niet had geleefd dan te hebben meegemaakt wat in de oorlog is gebeurd. Maar ik leef. Ze hadden mij dan zeker ook kapotgeschoten. En Bep? En onze oudste meid? Dan waren er later ook geen kinderen meer gekomen. Ik heb daar al zo vaak over gepiekerd, elke dag opnieuw, dat het een gedachtenflits is geworden.
'Ja, het zal wel twintig jaar duren voor de politie zich van die blaam heeft gezuiverd,' antwoordt de commissaris. Zwijgt. 'Maar die arbeiders van jou, wat hebben die gedaan? Wie hebben de treinen naar Westerbork laten rijden? En naar Polen?'
Het is een zinloos gesprek. 'Ik verhoor je vanmiddag
168