Sloof je niet zo uit, Sal, daar is Martin niet mee gediend, denk ik voor mij uit, en plotseling schuif ik de linkermouw van mijn jasje omhoog: 'Ziet u die striem, zo word je aan een ketting hier naar toe gebracht, en die parket-wachter trekt wel al loop je normaal mee.'
Zonder verder iets te zeggen pakt de commissaris een dossier van zijn bureau, haalt er een kwitantie uit en houdt me die voor mijn ogen. In het handschrift van Uitenboog-aard staat erop: 'Ontvangen van Sal vijfhonderd gulden.'
'Dat zegt niets.'
'Dit ook niet?' Een brief van Uitenboogaard, gericht aan
S.
'Wat bewijst S.?'
'Het zou Sal kunnen zijn. Die naam komt ook op andere papieren voor. Hier is een ontvangstbewijs. Ontvangen van Sal, staat er duidelijk.'
Terwijl ik het papiertje bestudeer antwoord ik tot mijn eigen opluchting: 'Daar staat duidelijk Sul, dat is een grap.'
'Akkoord,' snauwt de commissaris, loopt naar de deur, geeft een wenk.
Even later wordt Martin binnengeleid.
'What do you know about this question, mister Martin?'
'I don't know anything.'
Weer volgen ze elkaar op: brieven, kwitantie, kwitantie, handtekening, naam, maar steeds de mijne, flitst het door mij heen, Martin wordt alleen genoemd in de beschuldigingen van Uitenboogaard, en dat is geen bewijs.
Plotseling richt Martin zich tot mij en zegt met zachte stem: 'lis nous donneront huit ans.'
Meent hij het? Wat moet er dan van de Wereldpartij terechtkomen? Nu vraagt hij aan de commissaris:
'Is it possible that after our condemnation we shall be placed in the same prison?'
Samen met Martin, dat zou fijn zijn. Dan is hij niet zo
165