komen. Op den duur zijn nieuwe overwinningen ondenkbaar als zij niet door onze partijen worden geleid.'
'In Joegoslavië is het toch anders gegaan?' vraagt de humanist.
'Dat was een bijzondere samenloop van omstandigheden, ten gevolge van de oorlog. Het nationale verzet werd er geleid door de communistische partij. Tito moest zelfstandig handelen en ging toen in tegen de wil van Stalin, die helemaal geen socialistische revolutie in Joegoslavië wilde.'
'Goed, in China hebben de communisten toch ook de macht veroverd.'
'Ja, maar ook tegen de wil van Stalin. Die wou dat ze met Tsjang Kai Tsjek een coalitieregering vormden. Mao Tse Toeng kreeg de kans er niet voor, alleen al omdat Tsjang Kai Tsjek er tegen was en hij wel moest doorzetten.'
'En in Cuba?'
'Daar is het weer anders gegaan. Fidel Castro was geen communist, maar de Amerikanen probeerden de revolutie te breken na de nationalisatie van Amerikaanse ondernemingen. Toen zocht Castro steun bij Rusland en werd de revolutie communistisch.'
'Wat was dan de invloed van de trotskisten bij al die ontwikkelingen?' vraagt de humanist.
De invloed? Dat zijn de rotste vragen. Hoe kun je iemand duidelijk maken dat onze partijen onmisbaar zijn voor de overwinning als ze er niet aan deelnemen? 'De invloed? In het verloop van de revolutie als zodanig. In 1925-1927 leed de Chinese Revolutie een nederlaag omdat de Communistische Partij, op bevel van Stalin, niet met Tsjang Kai Tsjek wilde breken. Trotsky onderstreepte toen de noodzaak van zo'n breuk. Twintig jaar later heeft Mao Tse Toeng die noodzaak ten slotte begrepen, misschien heeft hij wel aan de woorden van Trotsky gedacht, en zo werd de overwinning mogelijk. Trotsky heeft verder geleerd dat de
160