Amstelveenseweg
De cel is groter hier, geelgroen opgeschilderd, met een cementen vloer en een langwerpige, koepelvormige bakstenen zoldering waardoor ik aan een doodkist moet denken. Er is zelfs geen raampje waardoor je naar buiten kunt kijken, alleen op twee meter hoogte een matglazen schijf die het daglicht toelaat. Frisse lucht, om de weeïg-zoete car-bolstank van de kiepelton te verdunnen, kan binnenkomen door een luchtrooster. Alles is massaal en van steen. Strenger zijn ze hier ook. Bij de directeur moet je voor zijn bureau blijven staan, gadegeslagen door een huismeester, en je staat te luisteren tot hij is uitgesproken, na vijf of tien minuten, net als in militaire dienst bij de kapitein. Misschien is het regime zo ingesteld omdat hier veel jongeren zijn. Hun omgang met de bewaarders is stroever, meer gespannen dan bij ouderen, recidivisten. Ik geef me op voor de humanist, maar moet eerst de pastoor en de dominee ontmoeten en afwijzen, zo verlangt het ritueel.
Hij is een magere, lange man, die humanist, onhandig in zijn bewegingen, staat formeel op om je te begroeten en als hij gaat zitten lijkt het alsof hij netjes zijn lichaamsdelen opvouwt. Hij kijkt mij ernstig aan zonder iets te zeggen, wat mij verlegen maakt, verontschuldigt zich voor zijn roeping zich over de zielen van gevangenen te ontfermen en voegt er vlug aan toe dat hij voor-die-jongens-hier wel eens iets goeds kan doen. Ze zijn vaak niet slecht maar hebben een
157