martin, ja, het is martin, en voor de bewaarders ons kunnen tegenhouden rennen wij naar elkaar toe, omhelzen elkaar, nog eer wij elk een andere kant uit worden gesleurd.
Meer verschrikt dan kwaad zegt mijn bewaarder: 'Zoiets had je nooit mogen doen,' sluit mij weer op in de cel, controleert of de deur goed is gesloten.
'Waar moet ik nu naar toe?' vraag ik de bewaarder. Geen antwoord. In de blauwpijper die mij wegbrengt wordt naar mijn vraag niet eens geluisterd. Wij zijn nog in Amsterdam, anders had de rit langer geduurd. Dan wordt een hek geopend en mag ik uitstappen. Een grote bruine deur in de vorm van een koepel, en ik weet het: hier bracht ik pakjes voor Mien Sneevliet voordat zij naar het concentratiekamp
ging•
156