ontzetting bevangt mij.
'Onmogelijk? Wij hebben buiten in zijn vuilnisbak de misdrukken gevonden.'
Het is verschrikkelijk. Uitenboogaard heeft dus met Wim Nooteboom samengewerkt en ons bedrogen. Erger had ons niet kunnen overkomen. Daarom heeft hij me eerst gepolst en er gauw over gezwegen toen hij merkte hoe ik over die avonturier dacht.
'Dan heeft Uitenboogaard dat buiten ons om gedaan. Daar geef ik u mijn erewoord op.'
'Ik zal het uitzoeken. Als mocht blijken dat je liegt breek ik je je nek.'
Even is het stil, alsof de commissaris na mijn antwoord opnieuw zijn gedachten moet ordenen. Dan zegt hij plotseling: 'Je vriend Martin is door het dolle heen. Niemand kan bij hem komen in zijn cel. Als een wilde trapt hij van zich af. En dat dankt je de donder. Daar gaat zijn levenswerk.'
Het lijkt alsof mijn lippen samenknijpen, en even sluit ik mijn ogen. Daar is het ze om te doen. De Wereldpartij kapotmaken. Dat lukt ze toch niet. Het illegale werk is buiten de Wereldpartij om gegaan, en Uitenboogaard is er gelukkig geen lid van. 'Wij zijn een historische beweging,' antwoord ik, en ik vervolg: 'Die kan door de politie niet stuk worden gemaakt.'
'Ik zou maar een toontje lager zingen,' bijt commissaris Boerslag mij toe, 'het kan ook anders,' en als ik zwijg zegt hij alsof hij heeft ontdekt wat mijn beweegredenen zijn: 'Je schijnt niet te geloven dat we jouw vriend hebben gearresteerd.'
Is dat Martin, met die stoppelbaard en grote, starende ogen? Ziet hij mij nu ook?
'je n'ai rien dit,' roept hij mij plotseling toe.
Verschrikte rechercheurs sleuren hem al de kamer uit, maar ik schreeuw hem nog achterna: 'moinon plus'
150