veters in mijn schoenen, die mij zijn afgenomen om te voorkomen dat ik mij eraan zou ophangen, en misschien kan zoiets wel, in combinatie met de broekriem die ook gevaarlijk schijnt te zijn. 'Ik kan je boeien maar je mag ook zo mee,' zegt de rechercheur, en laat de loop van een revolver door de zak van zijn colbert puilen. Ze zijn doodsbang dat ik probeer weg te lopen. Zeker om Martin in de steek te laten. Ik hoef niet eens ver weg, commissaris Boerslag is hier naartoe gekomen. Hij gebaart dat ik kan gaan zitten en kijkt mij enigszins spottend aan, uit een ovaal gezicht, dat bijna ongemerkt overgaat in zijn blonde haar. Zo ziet een voetbal-coach eruit, of een bedrijfsleider.
'Je hebt mij te spreken gevraagd. Kan ik iets voor je doen?'
'Ik ben bereid allerlei schuld op mij te nemen op voorwaarde dat mijn vriend Martin wordt vrijgelaten.'
'Gisteren wist je nergens van. Wat voor schuld?'
'Dat kan me niet schelen, als mijn vriend maar niet wordt vastgehouden.'
'Nog steeds de martelaar spelen, he. Nu ik toch hier ben: we hebben deze brief in je binnenzak gevonden. Weet je ervan?'
Hij laat me een brief zien van drukkerij Nooteboom in Haarlem. Hij vraagt om tweeduizend gulden, die hij te goed heeft voor ons theoretisch tijdschrift. Gerustgesteld antwoord ik: 'Die brief is toch aan mij gericht? Hij krijgt nog geld.'
'Dat is zeker familie van Wim Nooteboom, hè?' En, als ik verbouwereerd zwijg zegt hij scherp: 'Hou je maar niet van den domme.'
'Die hebben niets met elkaar te maken,' is mijn enig commentaar, en ik haal mijn schouders op.
'Weet je soms niet dat bij hém de persoonsbewijzen zijn gedrukt?'
'Dat is onmogelijk,' schreeuw ik, maar een gevoel van
149