Le frère
Soms heb ik het gevoel dat Martin mij niet begrijpt. Hij beweert dat ik Uten - die nooit zijn beloften op tijd nakomt en steeds meer nodig heeft - de hand boven het hoofd houd. Ik vind het net zo goed rottig, maar wat kan ik eraan doen? Ruzie met hem maken, met hem breken? En dan? Weet hij misschien een ander die zou kunnen doen wat Uitenboog-aard allemaal op zich neemt? Martin verwijt me nu dat ik naïef ben, dat ik een te groot vertrouwen in Uten stel. Hij vergist zich. Uten heeft kapsones gekregen, dat valt me heus wel op. Hij schreeuwt tegen me zodra ik hem vraag waarom hij iets nog niet klaar heeft en ik weer voor niets naar hem toe ben geweest, zoals laatst toen ik bij hem ben gebleven om te helpen omdat de kaarten nog niet klaar waren. Er werd plotseling aangebeld, zodat wij in een roes alles de kamer uit hebben gesleept. Het bleek een rechercheur te zijn geweest, die naar een buurtgenoot kwam informeren en gelukkig aan de deur is blijven staan.
Ook Henk Uitenboogaard is overwerkt, dat is zeker. Hoe kan ik het godverdomme alleen nog aan, verwijt hij mij, en wil hulp die hij zelf wel zal zoeken. Maar dit mag juist niet, er mogen geen anderen bij worden betrokken. 'Dan verdom ik het langer,' zegt hij plotseling, en hij meent wat hij zegt. 'Ik moet overal voor zorgen, kan een grote smoel krijgen, en ik weet van voren niet meer dat ik van achteren leef.' Dat geldt voor mij net zo goed, maar ik ben lid van de We
138