Voordat iemand me kan tegenhouden ren ik de deur uit om niet meer thuis te komen vandaag, ze kunnen mij nog meer, ik blijf in de stad zodat niemand me kan vinden en vanavond ga ik naar mijn werk, anders probeert Martin me weer te overtuigen dat ik vooral tactisch moet zijn, dat ik niet zo overgevoelig mag wezen, susceptible zegt hij natuurlijk, die uitdrukking kan ik al dromen, dat ik niet om mijn eigenliefde mag denken als het de beweging betreft.
'Hello mister Sal,' het is Martin die me opbelt de volgende ochtend en me natuurlijk wil spreken. Hoe kan hij hier voor het secretariaat blijven werken als ik er uit ga, vraagt hij mij. Ik weet er geen antwoord op. Waarom heeft hij me niet verdedigd tegen Paul Firelle, die in de war raakt bij de eenvoudigste problemen van de massabeweging, maar uitgekookt is als het fractioneel geknoei betreft?
'Maar ik heb je verdedigd,' antwoord Martin, 'je hebt me de tijd niet gelaten. Toen je bent weggelopen heb ik tegen de kameraden gezegd: chapeau bas pour Sal, il est un Vieux Bolchevique!'
137