'Toevallig kwam ik hem een tijdje geleden tegen. Hij beklaagde zich erover dat hij door Nooteboom voor duizenden guldens was opgelicht en daardoor failliet was gegaan. Weet je wat ik hem heb geantwoord? "Je verdient niet beter als je met iemand als Nooteboom samenwerkt." '
Henk Uitenboogaard zegt niets meer. Hij heeft gelukkig begrepen dat daar geen sprake van kan zijn.
In een flits zie ik mijn aktentas liggen, voor mij op de grond. Trek die naar je toe, Sal, daar zitten kwitanties in van Uitenboogaard, die mag niemand in handen krijgen. Een man komt dichterbij, tussen de mensen door. Is het een dokter? Hij helpt me, zo voorzichtig als hij kan, zodat mijn been niet meer achter de bumper van de taxi blijft haken waar ik met mijn brommer tegenaan ben gereden. En nu lig ik op mijn rug, verslagen, want natuurlijk kom ik te laat in het ziekenhuis bij mijn zoontje die pas is geopereerd.
De volgende morgen zitten Martin en Miranda als een stil verwijt naast mijn bed. 'Wat moeten wij in Nederland doen als jij in het ziekenhuis ligt? Hoe moet het verder met Uitenboogaard? Er zou een frère naar Amsterdam komen die je dringend moet spreken. Wie kan er in jouw plaats voor de Neivsletter zorgen? Hoe lang duurt zo'n beenbreuk?'
Na twee maanden zijn Martin en Miranda terug in Amsterdam. Ik lig nog steeds in het ziekenhuis.
'Wanneer mag je naar huis?' wil Martin weten. 'Kun je in het ziekenhuis al vertalingen doen? Heeft Uitenboogaard' - Uten zegt hij tegenwoordig - 'de persoonsbewijzen nog steeds niet klaar? Je moet er met hem over praten als hij je komt opzoeken. Les frères staan erop dat hij een nauwkeurige berekening maakt van zijn kosten. Er komen twee frères naar Amsterdam, ze willen jou ook spreken.'
'Hier, in het ziekenhuis?'
128