op mijn werk zijn. Hij werkt ook razend hard, dat is waar, en een keer heb ik voorzichtig gezegd: 'Ik begrijp niet hoe wij het volhouden, dat kan zo niet doorgaan,' en hij antwoordde: 'Tanden op elkaar, Sal. Tien jaar, nog tien jaar. Als er dan nog geen oorlog is geweest, is de kans groot dat de wedloop tussen de revolutie en het imperialisme door ons wordt gewonnen.'
Wanneer ik thuiskom zit Henk Uitenboogaard er al, met berekeningen waar ik geen wijs uit kan en die ik toch moet controleren omdat Martin dit nodig vindt, en natuurlijk moet hij geld hebben, want het papier is duurder dan hij had gedacht, of de pers, en ik wil weten waarom hij zich niet aan zijn afspraak heeft gehouden, hij zou immers eergisteren komen, eigenlijk vorige week, en toen was het ook al later dan afgesproken. Zijn antwoord is steevast: 'Maar ik moet alles alleen doen, terwijl ik toch ook bij een baas werk, en er wordt steeds meer van me verlangd.'
'Jij belooft zelf altijd van alles,' houd ik hem voor, 'en Martin wil absoluut niet dat je er anderen bij betrekt. Niemand mag iets van het werk weten.'
'Jij met je Martin...'
'Ja, ik met mijn Martin. Weet jij iemand anders die zich zo inzet voor de revolutie? Vergelijkingen gaan natuurlijk nooit helemaal op, maar soms denk ik: hij is de Lenin van deze tijd.'
'Daar los ik mijn problemen niet mee op. Wat zou je ervan denken als ik Wim Nooteboom vroeg om mee te doen?' vraagt Henk plotseling.
Ik schrik terwijl hij de naam uitspreekt. 'Ben je gek, Nooteboom is een van de meest onbetrouwbare types in de arbeidersbeweging. Eerst was hij stalinist en nu een berucht anticommunist. Hij werpt zich zelfs op voor de "rehabilitatie" van vroegere nazi's.' Dat moet Henk toch ook weten. 'Je kent Pleun Veenstra wel, uit de osp-tijd?'
'Hoezo?'
127