in hun krachtige ruwheid niet vinden kon, bij haar eigen geslacht, de weeke geparfumeerde sfeer der lesbische lokalen, waar perversie werkelijk gevoel verving, omwolkte haar, ’t nieuwe regime hief ze op, maar wie daar eenmaal geweest is, wil er terug. Wellicht Parijs met zijn grijze gevels, ’t werkzame, goede, maar ook koudwreede Parijs. . . Als wc in ’n restaurant waren, keek Steen voortdurend of ze nog naast hem zat. Hoe vaak hoorde ik hem niet smeeken: „Blijf nu voor altijd bij me.” En zij hulpeloos en toch willend lief zijn voor den genialen man: „Ik wil wel. . .”, maar in haar was iets sterker dan zij zelf, dan wandelde ze met haar veerkrachtige en toch moede pas langs de boulevards en menigen passant, man of vrouw, trof haar raadselige blik als van ’n gewond ree. Toen bleef ze voorgoed weg.
In elkander gedoken zat Steen en keek in de sombere Avenue du Maine, waar bussen en vrachtauto’s lawaaiend af en aan ratelden. Hij zag niets. Op zijn ezel stond ’n pas aangezet doek van de kleine Place de 1’Odéon, in helle zon, waar hij met haar gezeten had voor ’t café Voltairc, ’t zou zijn eerste, blijde stuk worden met zon. De man zat als ’n stervend roofdier aan ’t raam met ’n flesch cognac, de pijp stak hij niet meer aan. Ik stelde hem voor haar samen
78