over politiek”. Ik poogde hem dan wat te vertellen over schilderijen en vrouwen, die ik gezien, over liedjes die ik gehoord had. Hij deed of hij luisterde.
Als dan de zwerfkat onverwacht thuiskeerde, brulde hij ’t heele hotel bij elkaar, ’n schok van energie voer door z’n logge lijf, hij haalde de kachel uit, wilde haar telkens met zijn zwarte handen omhelzen en zij lachte moe en vriéndelijk in ’n eeuwige deceptie . . . Maar hij dee of hij dat niet zag, zond mij om eten en wijn uit, ik bracht alles slaafs omdat ik haar ook liefhad en haar toch niet naderen kon, evenmin als Steen, al begreep hij dat niet en was zij voor hem de Openbaring. Maar dit was van Yvonne de innerlijke geschiedenis. Wie onzer heeft niet met vijftien jaar in diepe en hijgende verrukking in ’t voorjaar de lucht ingeademd, zoodat hem of haar de tranen in de oogen kwamen? Zoo zie ik dit meisje in Wannsee, het leven lokt, belooft schoonheid, het leven lokt, straks treedt ’n ander mensch schoon en heerlijk uit dat groene bosch, wij willen ’t stralende volkomen geluk met zijn kleine diepe teederheden met die andere mensch, alles zal ons gegeven zijn. Maar treedt die heerlijke mensch uit ’t donkere groen te voorschijn, hoe lang duurt dan onze waan? Zeer kort. Yvonne zocht dan, wat ze bij de jongemannen
77