zelf schilderde hij nooit, portret was zijn fort niet. Echter duldde hij niet dat ze wegging, zelfs niet om brood te halen. Hij at met haar buiten, verkocht een en ander en dronk bijna niet meer. Ik was bij hen, maar ik benijdde hem niet. Van sommige vrouwen kan men de ziel nooit bezitten, maar Steen had zelfs haar lichaam niet, want haar oogen zwierven. Zelfs nu, nu ’n man van de bizondere eigenschappen als de Deen haar afgodisch liefhad, zoo als ik nooit had zien liefhebben, met ’n hondsche onderworpenheid, in wiens leven zij ’t hoogste punt zou zijn, nu nog bleef zij desolaat, maar dit nimmer op stuitende wijze van zelfbeklag, neen, ze lachte innemend en trachtte zich voor alles wat Steen betrof te intcresseeren, bracht doeken voor hem naar den handelaar.
Maar dan verdween ze opeens, de penseelen lagen op den grond, orde kende Steen niet, ik wilde ze in ’n pot zetten, maar de Deen weerde af: alles moest zoo blijven. Geen vuur brandde, ’t was koud als zij zwierf. Hij zat aan ’t raam en staarde doods uit zijn fletse oogen in de Avenue du Maine, in dekens gewikkeld, met ’n koude pijp tusschen de tanden en de cognac naast zich, die hij den conciërge weer had doen halen. En ’t enige wat hij sprak was: „Zoo’n cognac als hier krijg je nergens. Vertel ’s wat, maar niet
76