docht ’n blonde), ze aandachtig bekeek, ze dan wegwierp, en somber en verbeten naar de boulevard staarde, waar vreemde gasten heen en weer liepen in de kou. Ik bezag den man, (was ’t haar man?) een dier vele gentlemen, smart gekleed, die met ’n bewegingloos gezicht zweeg en ook zijn noodlot en zijn gevangenschap met zich meedroeg. Zulk tooneel zou mij anders hevig geëmotionneerd hebben, nu dacht ik slechts: die tragische haar kan van Yvonne niet zijn, dus laat mij ’t drama koud.
Eindelijk kwam ze terug en gulzig keek Steen haar aan, streelde haar hand. Toen zei hij opeens: „Hij heeft je viermaal langs je gezicht gestreeld.” Ze keek hem niet aan en zei: „Dat is niet waar.” „Ik heb ’t gezien en ook dat hij opeens terugtrok, toen ik naar hem keek.” Ze werd opeens typisch vrouwelijk: „Je hebt dus gespionneerd”. Hij zweeg en zei toen zacht: „Yvonne, ik . . En zij, half treurig: „Ik kan tegen ’n oude vriend, die nota bene ’n schilder is, toch niet onaardig zijn.” „Maar je bent zoo lang weggebleven.”
Yvonne kwam bij Steen wonen, hij schilderde den heelen dag, kwam in ’n koortsachtige productie, landschappen, straten, somber en zwaarmoedig, maar hij zong terwijl hij werkte. Haar
75