meesten zijner landgenooten afwisselend in de beste stemming, (hij zong dan met tranen in de oogen), dan weer in de diepste en mij vaak ergerende neerslachtigheid: in dien toestand zat hij aan ’t raam van zijn koud atelier op de sombere Avenue du Maine, onbewegelijk in dikke jassen en dekens verpakt, de pijp te rooken, met de cognac naast zich. Als de pijp op was, nam hij de moeite niet, er eene nieuwe te stoppen, maar hield ’t stompje tusschen de tanden en keek met zijn fletse oude hondeblik naar de drukke straat beneden, waarvan hij niets zag. Hij hield van zwarte vrouwen. Toen hij Yvonne zag, we waren in den Döme, trok hij met zijn mond en vloekte zacht als lieflijk en kreunde ook. Hij hield haar voor ’n Fran^aise, ondanks de stiefmoederlijke kou was hij tot in ’t waanzinnige verliefd op alles wat Fransch was. Hij stond op, voor ik, verstomd van zoo’n ongewone energie, iets zeggen kon, ging recht op Yvonne toe en nadat hij aan z’n hoed getikt had, vroeg hij haar in z’n ónmogelijk Fransch of hij haar schilderen mocht. Ze keek hem even als afwezig aan en zei dan dat ze enkel voor vrouwen poseerde. Maar Steen met ’n nooit vertoonde onverzettelijkheid nam haar zacht en voorzichtig bij den arm en duwde haar naar ons tafeltje, ik had mij bijna in mijn verwarring opgericht om
73