heid, ik durfde haar niet aanspreken. Ze frappeerde vele mannen uit onzen kring, die haar ’n brutaal woord in ’t Duitsch dorsten toeroepen, waar ze in vaag, maar diep charmeerend Fransch ’n volmaakt onbegrijpelijk antwoord op gaf. In Sélect leunde ze tusschen efeben en geëffemi-neerde mannen aan de bar, ze scheen in ’t begin ook veel sympathie bij de vrouwen te hebben, maar later hield dat op. Wel zag men haar ’n tijdlang samen met ’n groote, zware Engelsche, die zelf ’n moue van ontroostbaar leed om den mond haar arm om Yvonnes taille geslagen hield. Ze noemde zich vreemd en onduitsch Yvonne en wijl de emigrantenkringen ’t vreemde hielden voor ’t betere en vele vrouwen voor ’t Zwarte gepassioneerd waren, liet ze ’n dag haar blonde haren zwart verven en kamde dit glad met ’n ponny over ’t voorhoofd, hetgeen wel belachelijk stond bij haar verschrikte viooltjes-oogen, maar deze belachelijkheid was van ’n grenzelooze, treurige schoonheid. Zoo kwam de vale Parijsche winter met zijn grijze armoede, ieder leeft hier voor zich heen, de stad verloor allen glans die ze in den zomer had bezeten.
In mijn hotel woonde ’n Deen, waarin ik ’n vriend had gevonden. Hij was kort, breed en leelijk als ’n dog, maar ’n schilder van uitzonderlijke kwaliteit. Steen Wiborg was gelijk de
72