glas bier en bladerde in dagelijksche teleurstelling mijn lustelooze kranten door. Maar dan, in welk café ik kwam, ontwaarde ik haar, overal gleed vluchtig en bijna mysterieus de vrouw die me verzoenen deed met heel haar blonde ras, de terrassen langs, ze bleef zelden ergens zitten; ’n enkele keer was ze in gezelschap van befaamde schilderessen, wier model ze hier blijkbaar was. ’t Gelukte me al spoedig in dit stadsdeel waar men niet geheel discreet is en men als op ’n dorp elkaar kent, iets over haar te vernemen. Ze was ’n meisje uit ’t volk en had zich, vooral in Berlijn, wellicht door neiging, misschien ook uit bizarre zucht naar nieuwe prikkels gedreven, voornamelijk in lesbische bars opgehouden, ze was er, als hier, even verschenen om dan weer elders op te duiken. Was ik ’n enkele keer op Montmartrc, dan vond ik haar daar, zwervend langs de boulevards, rusteloos met iets gekwelds in haar blik van opgejaagd ree. Ze was als ’n ree schoon en slank, maar in haar de teedcre sentimentaliteit van ’t volksmeisje, ik aanbad haar smalle enkels, haar sidderende borsten en de bitterzoete mond die voor mij niet gemaakt was.
Hermine David schilderde haar, Marie Lauren-cin . . .
Ik aanbad haar in haar onbereikbare knaapachtig-
71