De jonge vrouw was nimmer opstandig geweest, zij was echter altoos alleen, hoewel ze pas enkele maanden getrouwd waren. Er was haar van haar man wel veel zonderlings bericht, maar zijn drankzucht had ze zelf moeten ervaren. Zij was hem dociel gevolgd, bctooverd bijna door dien fluweelen, streelenden blik, die slechts ’n fakir of ’n musicus kon behooren.
De man, die geen fakir en geen musicus was, sliep, ademde rustig en diep. En de vrouw wenschte opeens, dat hij toch flink op zijn fijnen neus ware gevallen, de dronkenlap, al had hij zich daarbij gekwetst.
Ze lag met de vochtige oogen open. Totdat de prikkelende najaarsochtend in haar neusgaten drong, de gordijnen schommelden zoetjes. En in diepe melancholie stond zij op, schoof haar voeten in de pantoffels. Ze nam zijn dikke jas en sloeg hem om. Ze ging met ’n blikje in den tuin. De tuin was slordig, verwaaid, er waren geen bloemen meer; op ’t pad met roode klinkertjes lagen de gebroken flesschen, ze wilde de mislukte wraakoefening opbergen, vóór de buren den rommel zouden merken en booze grappen zouden maken. Ze deed dit werk met haar fijne handen en plotseling nam ze ’n scherf zoo onverhoeds op dat haar vinger bloedde.
Het roode bloed maakte haar radeloos. Ze huilde
40