Een goedgezind onderwijzer kan weleens iets voor zijn kinderen doen, zelfs wel heel veel; maar hij ver-mag niet alles. Er is een invloed, die buiten hem, achter hem om werkt, die menigkeer andere ideeën, die eigen plannen met het kind heeft, en die maar al te vaak
״*k Moet drie naadjes afhebben."
met halsstarrigheid den uitgesleten weg der vooroor-deelen kiest en geen genade kent Dat is de ouderlijke macht, en als die anders wil dan hij, dan valt er voor hem niet veel goeds meer te doen; dan wordt het een trekken aan het kind, van weerszijden, en wie de wet niet achter zich heeft, en zich niet schrap kan zetten tegen ,t Staatsgebouw, die trekt aan 't kortste eind.
71