stevig pak opgebakerd, met de lange koperen spelden van ״Welkom, lieve kleine”, die juffrouw Clara eigenhan-dig op het lichtblauw satijnen, met kant omzoomde kussen had gestoken; je kon hem wel over ’n huis gooien, zei juf-frouw Coronel vol trots, want ze ver-stond haar vak. Maar nu was eindelijk het oogenblik gekomen, om hem aan de moeder te vertoonen.
Met een breeden glimlach hief de baker den kleine van haar breeden schoot en begaf zich naar het bed, waar zij hem der jonge moeder voorhield.
״Nou, juffrouw Davids, wat zeg je nou van je zeun?”
Maar Duifje had wel wat anders te doen dan te antwoorden. Zij dronk het wezen van haar kind in, met heel de begeerte van haar hongerige ziel nam zij hem in zich op. Zij betastte hem met de oogen, zijn aardige donkere koppe-tje met de zwarte kiekertjes en de kuif
117