heeft willen klaarmaken en zelf willen geven, de kop-koffie-met-een-ei, die ie״ dere kraamvrouw hoort te drinken, om״ dat het zoo versterkend is en goed voor ’t zog.... Dit is haar moment. Zij mum-melt gebeden en zegent moeder en kind, en ieder voelt het met ontroering: ja, nu is het goed, nu de stammoeder haar ze-gen gegeven heeft....
Maar buiten de deur staat Zwaan, en is verlegen en durft niet binnenkomen, ook al omdat zij niet weet wat men hier hoort te zeggen. Zegt men ״nog veel jaren”, of ״ik feliciteer u”, of ״verder geen leed”? Wie kan dat allemaal zoo precies onthouden?
En Bourbacki, die zulk een verlegen-heid niet begrijpen kan, trekt haar naar binnen, en daar legt Zwaan al haar har-de, vereelte werkhand in de zachte, tee-re, fijne van haar juffrouw....
״Nou,” zegt ze hartelijk, ״je hebt goed
110