En toen dachten ze dat Costa Gomez weg zou gaan. De jonge vader bedank-te hem en wilde hem uitgeleide doen.... Jawel, maar Costa Gomez is ook maar een mensch! Hij wil net zoo goed zijn belooning hebben. Natuurlijk, hij zal zijn geld krijgen. Op den negenden dag, dan zal hij zijn visite maken. Hij zal niets zeggen, niets vragen, maar de jonge vader zal een envelop hebben klaarlig-gen.... Dat weet men, daarin is het ho-norarium, daar moeten zijn vrouw en kinderen van leven....! Maar hij, hij-zelf....!
En Costa Gomez, in plaats van naar de deur, gaat resoluut op zijn patiënt af. Gekheid, hij moet haar toch dagzeg-gen.... Hij neemt haar hand.... ,,Nou.... God zegent je....” zegt hij zachtjes. Hij buigt zijn rooden, gezonden, grooten kop dicht over haar heen — zij trilt als een vogeltje — en dan.... dan drukt hij een stevigen, brutalen, hartelijken, vas
107