'Vader, dat begrijp ik nou niet. Er zijn zo weinig dronken Joden, zegt U, en Noach dan ? Of waren er toen nog geen pekelau-gurken ?' Verklaart vader:
'Pekelaugurken waren er al vóór de eerste dag. Die heeft God in het donker geschapen. Je moet één ding niet vergeten. Noach was in het begin helemaal geen sjikkerlap. Maar toen hij na de zondvloed in de gaten kreeg, wat voor een zoodje tinnef de wereld eigenlijk is, die hij had gered, toen is hij aan de drank geraakt, gewoon uit kif.'
In de buurt wonen een paar altijd-dronken stumperds. Schele Ko, de marktkoopman, die, zwaar tuberculeus, met de éne long die nog functionneert en een gebarsten trompetje op zondagmorgen in de Houttuinen de mensen rondom zijn stal tette-retet. De paar centen, die hij verdient, branden gaatjes in zijn zak. 's Avonds brengen mannen hem op de handkar thuis; dan ligt hij, vol tot aan zijn nek, laveloos te ronken. Zijn vrouw wil hem niet in de woning toelaten. In zijn benevelde kop groeit een treiterende wil. Eén hoog op het portaal kleedt hij zich spiernaakt uit. Dan kan ze hem niet wegjagen. Maar Ko is een zeldzaamheid. De hele buurt heeft met die bruut compassie. 'Nebbisj, het was zo'n flinke man voordat de jajem hem te grazen kreeg.'
Als de kasteleins in de buurt eerlijk blijven, worden ze nooit miljonnair. Dronken mensen, dieven, prostituees, ze zijn in de Joodse buurt met een lantaarntje te zoeken. Als de kinderen in de buurt amper een jaar of tien zijn heeft het leven voor hen geen geheimen meer; dat verbeelden ze zich tenminste. In dat opzicht is de jeugd van de grote stad overal hetzelfde, in Londen en in Groot Mokum, op de Oudeschans,
87