beschermen. Daarmee hebben ze de zonden der kwajongensstreken ruimschoots goedgemaakt. Moge daarom op de hoofden van Chris en zijn maats, op de hoofden der kinderen van de stakers van februari 1941 de zegen rusten, waarmee Mozes, de man Gods, de kinderen Israëls zegende voor hij stierf
Tussen de schooltijden spelen de jongens met knikkers. Ze graven een kuiltje. Met een handige worp gooien ze het handje vol daaien vlak-af langs de rand. 'On of eef?' 'On.'
'Drie en drie. Eef. Ik heb gewonnen.' 'Ga mee liever uppie van de rand.' 'Nee, ik heb een mooie loden daai, ga mee keizeren.' De meisjes zitten, de rokjes nuffig over de knietjes getrokken, op de blauwe stoepen stoof-staande-mietje te spelen met loden bikkels en grote witmarmeren stuiters. Of ze springen touwtje: een, twee, de bocht gaat in, waarbij de rokjes hoog opwaaien. Als het voorjaar wordt, bedelen de jongens bij de schoenmaker een stukje leer, dat ze dagenlang in water te weken leggen. Als je het goede stuk hebt, kun je met zo'n zuiger een kei uit het wegdek rukken, maar als de smerissen je snappen, ga je naar een verbeterhuis.
Omdat de kinderen in de Joodse buurt na het gewone onderwijs veelal nog een paar uurtjes godsdienst-onderricht krijgen op kleine schooltjes, die her en der verspreid liggen, valt de eigenlijke speeltijd voor hen in de avonduren. In de schemering spelen ze schuilhokkie. De zon schijnt nog wel, maar ze is al achter de bergrug van de huizen verdwenen. Het licht in de ravijnen is grijzig gebroken. De jongen staat aan de lantaarnpaal, het
84