Geubel uit de Markensteeg, Huug de Groot uit de Lepelbak, Tony en Deetje Kessler uit de Koningstraat, Bock de Korver uit de Lange Houtstraat. Ze trekken naar de velden in de Meer. Met namaakkiksen over de schoudertjes en geheimzinnige pakken onder de arm. In de pakken zitten matzes van De Haan, groot en rond en broos. Zegt Kees uit de Kinkerbuurt: 'Verrek, wat hebben jullie daar ? Grammofoonplaten ?' 'Dat? O, dat zijn matzes.' 'Wat zijn matzes?' 'Brood der ellende.' 'Geef mij eentje, voor m'n vader.'
Zegt Kees tijdens de rust van de wedstrijd, die de volgende dag wordt gespeeld:
'Zeg, die matze, die je me gisteren hebt meegegeven, hebben
we gisteravond bij ons thuis opgegeten. Met boter en suiker.
Lekker, zeg. En zoiets fijns noemen jullie brood der ellende.'
Zegt Moos Kornalijnslijper:
'Hoe hebben jullie het dan gegeten ?'
'Met boter en suiker, dat zei ik toch al.'
'Nee, dat bedoel ik niet. Hoe heb je de matze gehouden ?'
'Nou, zo... gewoon.'
Kees houdt zijn hand plat voor de mond en aan de rand maakt hij knabbelbewegingen. Zegt Moos:
'Oohh,... kunsjt, dat je het lekker vond. Maar je had het zó moeten eten.'
Hij houdt zijn hand rechtop haaks voor zijn gezicht. Maar de andere jongens uit de buurt zijn niet zo orthodox als Moos Kornalijnslijper. Zij zeggen tegen Kees en zijn elftal:
79