flempies - klein kind. frot - verrot.
gallisj - misselijk, gannef - dief.
gein - gunst, aardigheid, melodie,
geestig, sierlijk, leuk. zonder gein of krijn - zonder smaak
of kraak, geklatsj (zie klatsjen) - geknoei, goin - ander volk, niet-jood. golemen - slapen, goosen (ook wel verbasterd tot
goser of gozer) - man. Gottbehuete - God beware, grieben - vetkanen.
haambrenger - thuisbezorger. hawang en zuriee - uitroepen bij 't bokspringen. Waarschijnlijk: en avant, surié. heitje - vijf(i.d. geval: vijf stuivers)
inworf- huwelijksgift.
jat ־ hand.
jehoede - jood.
jofel - lekker, plezierig.
jijletjes - geveinsd misbaar.
kaddisj - gebed.
kaffer = afgeleid van kaphri - dorpeling.
kahillan (kille) - gemeente, kaksougerte - lorrige koopster, kalle - bruid.
kallechewre - vereniging, die arme bruiden een bruidskleed schenkt, karoutje - rode kool in 't zuur. kauliesj - soort gebak, kerstenge - kastanjes, kif - woede.
kimpet (van kindbett) ('in kimpet
moeten') - bevalling, kinnesinne (van kin-ah = ijverzucht en sin-ah = haat) - afgunst.
kinnesinne-ponum - jaloers mens,
concurrent, klatsjen - knoeien, koef noen - kost niets, gratis, koeksoe = kuck zu - kijk eens aan. kokelekootjes - paranoten, kol - stem.
kosher - ritueel toegelaten, geschikt, kowed - eer.
krentensjnabel - een vrij onschuldige infectueuze ontsteking van de mondhoeken.
lajenen - lezen, voorlezen van een
196