Plotseling ging als een schok de gedachte door me heen: 'Nog geen twintig jaar is het geleden, dat het Grote Verdriet op de wereld viel, en nu reeds is voor al die grijnzers en grin-nikers de dood van honderdduizenden een tragi-komische legende geworden, met de nadruk op komisch. De jood, die in de gaskamer werd vermoord, zal over nog eens twintig jaar iemand zijn als Tijl Uilenspiegel.'
Honderden jaren geleden werd de Tachtigjarige Oorlog uitgevochten. De Franse Revolutie werd geboren en ging onder in oceanen van bloed en tranen. Napoleon trok zijn voren in de oneindige akker van Europa en honderdduizenden moesten eerst sneuvelen, voordat hun lichamen nieuwe vruchtbaarheid konden brengen aan het oude werelddeel. Wie kan nu nog iets voelen van het mateloze leed, dat over mensen werd uitgestort ? We leren plichtsgetrouw onze jaartallen en de namen der vaderlandse helden. We lachen om Tijl, de grootste illegaal aller tijden, maar illegalen hebben zelf nooit werkelijk reden tot lachen, want hunner is ondank tot in lengte van dagen.
Van alle kanten bestormen de bulldozers de oude buurt. Er zijn geen levenden meer voor de verdediging. Stofwolken hangen boven de vervallen huizen. De mensen? 'Ze werden geboren, ze leden en ze stierven.' Alles gaat voorbij. Wat overblijft is de grandeur, de legende, de geïdealiseerde vertelling, de weemoed van het onherroepelijke afscheid, de echo van hun lach, die van zo ver klinkt, de herinnering, die nooit zal worden uitgewist, misschien.
194