In die dagen reden de mensen nog voor hun pleizier in de tram.
Zeiden vader en moeder:
'Volgende week ben je jarig. Wat wil je hebben?'
'Ik wil met de tram.'
'Goed, we gaan met de tram. Dat is dan je cadeautje. 'Met de open tram ?'
'Als het mooi weer is, gaan we met de open tram.' 'Met lijn drie?'
'Hoor me zo'n kind eens aan. Die wil met lijn drie. Je denkt zeker, dat we de hele dag de tijd hebben.'
Lijn drie was de langste lijn van de stad. Van iemand met een
fors postuur zei men:
'Daar gaat lijn drie met de bijwagen.'
Alle open trams stonden in een kluitje bij elkaar in de remise. Als ze 's zomers in de duizelingwekkende vaart over de rails snelden, was het ijzingwekkend te zien hoede conducteurs als slingerapen buiten-om klauterden om de ritprijs van een stuiver te innen.
Achter de ramen boven de remise in de Roetersstraat woonden Ome Barendje Salomons en tante Betje. Hij was een pezige analfabeet, die zijn leven lang niet uitgepraat kon raken over een mirakel, dat hij op middelbare leeftijd in een winkel in de Kinkerstraat had aanschouwd.
'Daar verkopen ze kaas, die je op het brood kunt sj meren. Kaas die je kunt sjmeren, wie heeft daar vroeger jaren van gehoord?' Zijn zoon Sander was eens mijn beste vriend, hij ging naar Auschwitz, grote God, wees asjeblieft een beetje zuinig op zijn ziel, want zo gaaf en onbaatzuchtig zult Gij er niet veel bezitten in het eeuwige magazijn.
174